home | sunbeam | alpine
Sunbeam

Sunbeam Alpine Series I, II, III, IV en V

Alpine series 1

for a guide on the external differences of the Series 1-V go here

 

Rootes heeft in de loop van de jaren een actieve racebijdrage geleverd. Na de Sunbeam Talbot saloon versie werd dan ook snel door Lord Rootes akkoord gegeven voor de Sunbeam Talbot tweezitter die Alpine genoemd werd. Deze auto werd in 1953 geïntroduceerd.

Uit de ervaringen met de Talbot Alpine concludeerde Lord Rootes dat er een markt moest zijn voor een nieuwe sportwagen, in het bijzonder werd veel van Amerika verwacht.

In 1956 kreeg 'appearance designer' Jeff Crompton versterking in de persoon van Kenneth Howes. Howes had zowel in London als New York voor de beroemde Raymond Loewy gewerkt. Hierdoor wist hij veel van kleuren, materialen en massaproductietechnieken.

Tegen de tijd dat de Alpine na lange voorbereidingen in de testfase was gekomen waren de Rootes constructeurs al weer volop betrokken bij de voorbereidingen voor volgende modellen. Om deze reden werd besloten dat de ontwikkeling en beginproductie door Armstrong Siddeley Motors Ltd (ook in Coventry) zou worden gedaan.

Voor de ontwikkeling van de Alpine werd getracht de kosten zo beperkt mogelijk te houden. Het chassis was gebaseerd op de vloer van een Hillman Husky. Om de sterkte van de originele vloer te vergroten werden kruisvormige chassisbalken aan de onderkant toegevoegd, waardoor de auto onder andere nogal wat zwaarder werd.

De motor (1494 cc), koppeling en versnelling kwamen van de Rapier af. De deuren waren ongebruikelijk lang waardoor een gemakkelijke instap mogelijk was, en het opbergsysteem van de soft-top was heel revolutionair. Duidelijk werd dat de auto een optimale mix van prestatie en comfort in zich had. Als opties waren een hardtop, overdrive en spaakwielen leverbaar. Van de Mark I werden tussen 1959 en 1960 11.904 auto's gebouwd. De grootste concurrent van de vroege serie was de MG A, die iets duurder was.

 

Series 2

 

In 1960 werd de Series II geïntroduceerd. de achterwielophanging werd licht gewijzigd, en de motorinhoud werd vergroot naar 1592 cc. Er werden tussen 1962 en 1963 in totaal 19.956 auto's gebouwd.

In maart 1961 werd de Sunbeam Harrington geïntroduceerd, gebouw door Thomas Harrington and Co., een bedrijf in koetswerk te Hove, Sussex. Dit bedrijf had al enige tijd geëxperimenteerd met het gebruik van glasfiber voor autocarrosserieën. Vanwege het feit dat het bedrijf in die tijd haar productiecapaciteit nog niet volledig benutte was men op zoek naar een nieuw project en belandde men bij Rootes. De Harrington kon het bezwaar tegen de wel erg kleine kofferbak van de Alpine (een liggende benzinetank en reservewiel waren hier de oorzaak van) oplossen. De Harrington kon alleen via Thomas Harrington & Co. gekocht worden. Na een succesvolle samenwerking tussen Rootes en Thomas Harrington Co. voor Le Mans races werd de Harrington Le Mans in 1961 geïntroduceerd. Wegens het feit dat productiegegevens al lang geleden verloren zijn gegaan zijn alleen schattingen van productieaantallen aanwezig: circa 150 Harrington Alpine GT's en iets meer dan 250 Harrington Le Mans.

In 1962 werd de productie van de Armstrong Siddeley fabriek overgeheveld naar Ryton on Dunsmore.

De Series III Alpine werd op de Geneva autoshow van 1963 gelanceerd. Naast de gebruikelijke versie werd een GT versie met alleen een demontabele hardtop geïntroduceerd. Deze auto gaf de berijder voorafgaand aan zijn rit een soms lastige keuze: de hard top thuislaten en regen riskeren (een soft-top was namelijk niet aanwezig!) of als een coupé rijden. De deuren kregen vierkante onderhoeken in plaats van de vroegere ronde. De kofferbak had een reestyling ondergaan, gedaan door Carrozzeria Superleggera Touring in Milaan, waardoor de benzinetanks naar de zijkanten verschoven (aan elke kant één!) en het reservewiel rechtop kwam te staan. Er werden tussen 1963 en 1964 5.863 auto's gebouwd.

In 1963 werd als concurrent de MG-B op de markt gebracht, tegen praktisch dezelfde prijs als de Alpine.

Voor design- en assemblage voor de Europese markt werd in Italië een beroep gedaan op Touring uit Milaan. Hieruit volgde onder andere de productie van de zeldzame coupe verzie van de Sceptre, genoemd Venezia. Officieel werd de auto alleen in Italië verkocht. Zoals alle superleggera touring bodies bestond het koetswerk uit een buizenframe met aluminium beplating Er werd gebruik gemaakt van een Sceptre voorruit en lampen, een Rapier grille en Alpine achterlichten. Er werden 145 auto's gebouwd.

 

In januari 1964 kwam Rootes op de Brusselse Motor show met de Alpine Series IV met herontworpen achterspatborden. De karakteristieke 'fins' waren verdwenen. Een 'all synchromesh' versnellingsbak werd eindelijk geleverd en tevens werd er een automaat leverbaar.

In 1964 kwam Chrysler ten tonele en bracht onder andere US$ 35 miljoen in om het verlieslijdende Rootes te redden. De verliezen waren onder andere ontstaan door een staking bij de British Light Steel Pressings in Acton en gestegen loon- en materiaalkosten

Nieuwe achterpartij

 

In 1964 werd de Tiger I gelanceerd, die op basis van de Alpine Series IV werd ontwikkeld. Mede door het succes van de AC Cobra werd een Ford 260 ci (ofwel 4,2 liter) V8 motor in de Alpine 'gepropt' ('the plumbers nightmare' geheten). Het feit dat de Tiger een Ford motor gebruikte was niet bevorderlijk voor de samenwerking met Chrysler. Hierom en wegens het feit dat de Tiger uiterlijk weinig verschilde van de Alpine, maakte het dat de Tiger slechts een korte carrière kende. Alle Tigers werden gebouwd bij Jensen in West Bromwich (bij Birmingham). Van de Tiger I en Tiger I-A (een soort tussenmodel, gebaseerd op de Alpine Series V) werden tussen 1964 en 1966 in totaal 6.495 auto's gebouwd.

In 1967 werd de Tiger II gelanceerd met als belangrijkste verschil dat deze auto een andere grille meekreeg en opgeplakte racestrepen. Tevens werd er een grotere en krachtiger versie van de Ford V8 motor geïnstalleerd, nu de 289 ci. (4,7 liter, dezelfde motor als in de Ford Mustang). Officieel werd de auto alleen in de Verenigde Staten verkocht. Van de Tiger II werden slechts 571 auto's gebouwd.

De Series V Alpine was de laatste Alpine die in 1965 werd geïntroduceerd. Het opbergsysteem van de soft-top was veranderd en de cilinderinhoud steeg naar 1725 cc met een vijfmaal gelagerde krukas. De twin choke Solex carburateur werd vervangen door dubbele Strombergs. In januari 1968 werd de productie na 19.122 Series V wagens beëindigd, waarmee feitelijk alle banden met de sportwagenmarkt werden verbroken.

 

Series V

 

Voor meer info, zie:
http://www.sunbeamalpine.org  
http://www.team.net/www/rootes/sunbeam/alpine//mk1-5/index.html