Commer

Geschiedenis van Commer

Het verhaal van Commer als onderdeel van de Rootes groep is gecompliceerd maar zeer lezenswaardig, veroorzaakt door veranderingen van eigendom, fabrieken en veelvuldige innovaties en financiële verwikkelingen. In onderstaande samenvatting van de geschiedenis, voornamelijk gebaseerd op het uitstekende boek van Geoff Carverhill (The Commer Story), leest u veel interessante zaken.

Op 22 september  1905 werd het bedrijf Commercial Cars Ltd gesticht dat zich ging toeleggen op het bouwen van motorvoertuigen die voorzien waren van de innovatieve Linley versnellingsbak. De bouw vond eerst plaats in Zuid Londen maar door expansie verplaatste men deze al snel naar Luton.

In 1907 deed het bedrijf mee aan een Heavy Vehicle Trial en als gevolg van publicatie van de goede testresultaten stroomden de orders binnen.

Commer ontwikkelde in de jaren daarna haar eerste personen transportvoertuigen die bekend stonden om hun uitstekende “ cost-effectiveness”. De verkoopsuccessen waren deels ook toe te schrijven aan succesvolle export, men exporteerde van Australië tot Noorwegen, van de Verenigde Staten tot Afrika. In 1911 voerde men maar liefst 7 verschillende modellen, waaronder brandweerwagens.

Vanaf  de uitbraak van de 1e wereldoorlog in 1914 leverde het bedrijf een aanzienlijke bijdrage aan de oorlogsindustrie met voornamelijk de leverantie van de 4 ton vrachtwagens.

Na de oorlog wist Commer in de lastige opbouwperiode goed te overleven, ondanks het feit dat verscheidene concurrenten, die de grote overheidsvraag naar oorlogsvoertuigen zagen wegvallen, omvielen. In 1926 ging het eigendom over in handen van Humber en de overname bewees succesvol te zijn gezien de ontwikkeling van maar liefst zeven nieuwe modellen.

In de jaren twintig en dertig kwamen de eerste schaalvergrotingen op gang en zo fuseerden in 1928 Humber en Hillman. In 1929 komt voor het eerst Rootes op het toneel om de financieel wankele samenwerking van Hillman, Humber en Commer over te nemen. Met hulp van een financiering van een verzekeringsmaatschappij betekende dit het begin van een van Engeland’s grootste autoconcerns. De beurskrach van 1929 veroorzaakte veel ellende maar gaf Rootes de kans om de verzwakte bedrijven Sunbeam en Karrier (in 1934) over te nemen. De eerste effecten van het kunnen profiteren door Commer van andere bedrijven in de Rootes groep bleek in 1933, zo introduceerde men onder andere kleine vrachtwagens op basis van Hillman auto’s. De productie van Karrier werd spoedig naar Luton verplaatst.

In 1937 werd de dan 36-jarige Geoffry Cozens aangesteld als algemeen directeur van Commer en zou dat tot 1960 blijven.

Vanaf 1939 wordt een belangrijk gedeelte van de Commer historie bepaald door de 2e wereldoorlog. Rootes was gevraagd om pantservoertuigen en verkenningswagens te leveren. Onder de merken Commer en Humber werden vele duizenden wagens afgeleverd met oorlogsdoeleinden. Voor veel van de employees bij Commer-Karrier betekende de oorlog een forse verandering in hun leven, als ze niet waren opgeroepen om te dienen in het leger, werden ze wel aangewezen om in de fabrieken de oorlog te ondersteunen. Het bedrijf groeide in zijn top tijdens de oorlog naar meer dan 2000 werknemers, waar dat voor de oorlog circa 700 man betrof. Zoals vele fabrieken had Commer ook zijn eigen reservisten. In 1944 ging het mis toen een V2 bom 19 man doodde en bijna 200 gewonden veroorzaakte. Het Rootes concern was tijdens de oorlog zeer universeel gebleken: men maakte van alles voor het front: wapen- en vliegtuigcomponenten. Veel van de ze componenten werden door de Rootes dochter British Light Steel Pressing (BSLP) in Acton gemaakt. Deze producent leverde ook het koetswerk voor Commer en Karrier wagens.

Groot Brittannie kwam als een ander land uit de oorlog, het grootste deel van de rijkdom was opgegaan aan de oorlogsvoering, het land was bijna bankroet. In 1948 begon het Marshall plan en GB devalueerde het pond. Rootes was verrassend met een winst van 1,5 miljoen pond uit de oorlog gekomen. Alles was in die jaren gericht op export om de economie te versterken. Deze inspanningen kostten echter wel veel van het kapitaal om om te schakelen van legerproductie naar burgerproductie. Vanaf 1947 kwamen de exportorders voor Commer en Karrier binnen in Devonshire House, onder andere in de vorm van Completely Knocked Down (CKD) wagens die in het buitenland in elkaar werden gezet.

Het meest spannende nieuws uit Luton was de introductie van een compleet nieuwe 5 en 7 ton Forward-Control Commer, beter bekend als de QX serie. Deze serie leende zich ook uitstekend voor coach builders om bus opbouwen op te plaatsen. In 1949 werd, indachtig het succes van de Hillman Minx, de Humber Hawk en de QX serie,  Rootes aan de beurs genoteerd

In 1951 hadden de Rootes broeders wederom hun boodschappenmandje gevuld, en nu met de reeds lang bestaande vrachtwagen producenten Tilling-Stevens en Vulcan uit Maidstone. Daarnaast kochten zij 100 acres (circa 40 ha) land in Dunstable met als doel verdere fabrieksuitbreidingen mogelijk te maken. Enige onvrede bestond bij het oude management van  Vulcan-Tilling-Stevens toen bleek dat Rootes het merendeel van de activiteiten feitelijk beëindigde en de fabrieken voor assemblage van Commers ging gebruiken. In die jaren werd ook voor het eerst de vrachtwagenmotor onder het chassis geplaatst.

In 1953 werd besloten om wegens aanhoudende groei een nieuwe productielijn voor de assemblage van alle Commer en Karrier voertuigen te bouwen op het recent aangeschafte land in Dunstable. Voor de financiering van de fabrieken werd bijna 28 ha van het land verkocht aan Vauxhall-Bedford. Op het resterende land werden fabrieken van in totaal 23.200 m2 gebouwd. De oude productielocatie in Luton werd aangehouden voor de fabricage van versnellingsbakken en achterassen alsmede ontwerp en ontwikkeling. Veel van het personeel had problemen met het feit dat de nieuwe fabriek 64 km verder op lag en stapte in de markt waar veel vraag naar arbeid was over naar Vauxhall.

In 1956 verwerft Rootes het merk Singer mede waardoor in dat jaar rode cijfers werden geschreven. Tevens was er een recessie in de VS gaande. In de oude fabriek van Singer in Birmingham  werd de onderdelenvoorziening voor auto’s en vrachtwagens ondergebracht.

In het lichtere segment was Rootes behoorlijk succesvol met het produceren van “delivery vans”  en ambulances op onderstellen van Hillman Minx, Humbers etc. De voordelen van een grote groep waren duidelijk.

Ook werd steeds duidelijker dat men badge engineering bedreef. Karriers werden in licht gewijzigde versies als Commers verkocht en andersom. In 1958 gaven de Nederlandse Spoorwegen  opdracht om maar liefst 525 Commers aan van Gend en Loos te leveren. Deze wagens hebben tientallen jaren in Nederland gereden. Veel van het succes van Commer was toe te schrijven aan de door Rootes Power Units zelf ontwikkelde TS-3 motor welke meer dan 20 jaar zou meegaan.

De jaren 60 begonnen onrustig. De macht was aan het verschuiven van werkgevers naar werknemers. In 1961 werd Rootes het doelwit van een 13 weken durende staking bij British Light Steel Pressings in Acton. Deze staking had uiteindelijk een verwoestende uitwerking op het voortbestaan van Rootes. De grote kosten maakten de ontwikkeling van de Hillman Imp en de nieuwe Commer modellen onzeker. In 1961 werd het revolutionaire 'walk thru' model gelanceerd. Het ontwerp is een no-nonsense bezorgwagen die zijn gelijke niet kende. De vrachtwagen was echter wel luidruchtig en zwaar te besturen voor de bestuurder. Om te overleven verkocht Rootes in 1964 een groot deel van de aandelen aan Chrysler. De walk thrus werden geleverd als Dodge, Commer en Karrier. De wagen verkocht ook zeer goed in Europa.

In Dunstable werd fors uitgebreid om de aan de vraag te kunnen voldoen. Er werd echter door de autoriteiten geen toestemming verleend om de Imp ook in Dunstable te produceren, men moest uitwijken naar Linwood in Schotland wat veel problemen creëerde en erg duur bleek.

CKD eenheden werden ook in Rhodesie (Zimbabwe) en Spanje geassembleerd.

Ondanks de successen van de verschillende modellen herstelde Rootes niet van de BSLP staking en kondigde in 1964 aan dat 45% van de aandelen zouden worden overgenomen door Chrysler. Chrysler betaalde hiervoor GBP 12.3 miljoen. Lord Rootes angst werd werkelijkheid toen bleek dat de samenwerking tussen Chrysler en Rootes niet goed van de grond kwam. In december 1964 overleed Lord Rootes. In 1965 verwierf Rootes het bedrijf Dodge Brothers Britain Ltd. Hiermee bereikte de badge engineering een nieuw hoofdstuk want nu werden er ook Commers als Dodge verkocht en omgekeerd. In 1966 werd in Dunstable zwaar uitgebreid (16.000 m2).

Eind jaren 60 nam de concurrentie steeds verder toe (Daf, Scania, Volvo en Japanse merken) en de vraag nam af omdat de boom van de naoorlogse opbouw aan het afnemen was. Rootes begon grotere verliezen te maken en Chrysler verkreeg een groter aandelenbelang na de belofte van een kapitaalinjectie. In 1967 sloot Rootes de zojuist overgenomen productielocatie van Dodge te Kew en hevelde de productie over naar Dunstable. In de jaren daarna ontstaan er verscheidene arbeidsdisputen over salarissen en werktijden met stakingen als gevolg. Door de overname van Dodge kwam men ook in contact met motorenfabrikant Cummins. Chrysler verordonneerde dat de Cummins motoren moesten worden geïnstalleerd ten koste van de succesvolle TS3 motor. Wegens de vele problemen met deze motor draaide men het besluit later terug ten faveure van de Perkins motor. In 1968 investeerde Rootes zwaar in een nieuwe centrale ontwerpafdeling in Dunstable en nam men 76 ha grond over van Hawker Siddely. In 1970 werd de merknaam Rootes opgegeven ten faveure van de nieuwe naam Chrysler UK. Chrysler had tevens een 45% aandeel in Simca verworven. Het resultaat was dat de traditioneel sterke exportgebieden werden verwaarloosd en in 1972 zakte het productiecijfer voor trucks voor het eerst in jaren onder de 25.000 stuks. In 1973 gingen uiteindelijk de nog niet gekochte Rootes aandelen voor 100% over naar Chrysler. De recessie, de veel te grote capaciteit in Dunstable na de grote uitbreiding in 1968 veroorzaakten grote problemen. Fabriek stilstanden waren aan de orde van de dag.

In 1974 werd de laatste Commer ontworpen, de Commando. Bezwaar tegen de Commando was dat Chrysler er teveel een auto van had gemaakt en te weinig nadruk legde op het feit dat er aan vrachtwagens andere eisen worden gesteld. Chrysler kwam door foutieve productontwikkeling in personenauto’s en een veranderende markt als gevolg van de oliecrisis echter op zijn thuismarkt VS zwaar in de problemen. Daarnaast maakte Chrysler UK miljoenen verliezen. De Britse overheid moest zelfs met een reddingsplan over de brug komen om een sluiting, waarmee Chrysler dreigde, af te wenden. In 1976 nam Chrysler het besluit om alle trucks vanaf dat moment de naam Dodge te geven, dat betekende het einde van Commer. Wegens aanhoudende verliezen wilde Chrysler van de Britse tak af en werd PSA (Peugeot/Citroen) bereid gevonden de activiteiten over te nemen. De Chrysler bedrijven heetten vanaf dat moment Talbot. De naam Commer was geheel verdwenen, Karrier kwam af en toe nog terug bij speciale voertuigen. Productontwikkeling ging echter door en in 1979 werd de Dodge 50 gelanceerd, een klein busje dat veel leek op de Bedford busjes. De Dodge 50 was vanwege de betrouwbaarheid een groot succes. In 1981 sloot PSA een fusie met Renault voor de productie van vrachtwagens onder de naam Karrier. Een oude naam werd weer van stal gehaald, maar de auto’s werden als Dodge verkocht met een Renault embleem. Concurrentie werd echter op de thuismarkt steeds sterker. Communicatie met de Fransen bleek zowat onmogelijk en leidde tot onwerkbare situaties. In 1984 werd de grond van de oude productielocatie aan Biscot Road gesloten en werd de grond verkocht aan een projectontwikkelaar die er flats bouwde. In 1992 werd de beslissing genomen de productie in Dunstable compleet te beëindigen en werden alleen nog maar Renault vrachtwagen geïmporteerd. De productielijn werd aan China verkocht. Hiermee kwam een einde aan de lange Commer historie.