Rootes historie

Er zijn vele boeken verschenen over de 'Rootes-dynastie', maar tot nog toe naar ons weten geen enkele in het Nederlands. Alleen al om deze reden is het interessant om een beknopt overzicht over de opkomst en ondergang van het Rootes concern te presenteren.

Rootes is een familienaam die haar oorsprong voor wat betreft het latere autoconcern vindt in Hawkhurst in Kent. William Rootes was de eigenaar van een fietswinkel in die stad en had twee zonen: William 'Billy' (geboren in 1894) en Reginald (geboren in 1896). Tot het einde van de Eerste Wereldoorlog had geen van de zonen interesse gehad in het familiebedrijf: William werkte tot die tijd bij Singer Motors in Coventry, Reginald werd opgeleid tot accountant.

In 1917 richtte Billy het bedrijf Rootes Ltd. in Maidstone op, waar hij samen met zijn vader werkte. Dit bedrijf hield zich in eerste instantie bezig met het repareren van vliegtuigmotoren, auto's en landbouwwerktuigen. Na de oorlog verslapte de vraag naar reparatie van vliegtuigmotoren hetgeen om een strategische heroriëntatie vroeg. Men ging meer in de richting van groothandel voor een aantal buitenlandse merken. Zo verkocht men onder andere auto's van Martini uit St. Blaise te Zwitserland en General Motors in Amerika. Midden jaren '20 konden klanten door een uitbreiding van het aanbod uit een veelheid van verschillende merken kiezen en was Rootes de grootste distributeur in Engeland geworden. In 1924 werd het bedrijf George Heath Ltd. te Birmingham overgenomen, wat een aantal prestigieuze dealerschappen toevoegde (waar onder Austin, Armstrong, Fiat, Humber, Vauxhall en Wolseley). Vanaf dat moment begon door de buitenlandse ervaring van Rootes tevens de export goed te lopen (6000 auto's in 1927!).

Vanaf 1926 vestigde Rootes zich in het prestigieuze Devonshire House t/o het Ritz Hotel in Piccadily London. Hier werden enorme showrooms ingericht. Onder de agentschappen van Rootes waren Hillman, Humber en Commer. Deze bedrijven hadden rond 1928 grote problemen om te concurreren op zowel de lokale als de wereldmarkt. Rootes zag deze problemen ook op zich af komen als distributeur van deze merken en besloot een overnamebod te doen. Deze overname werd gefinancierd met kapitaal verkregen via de Prudential verzekeringsmaatschappij.

Tussen 1929 en 1932 werd het grootste gedeelte van de investeringen besteed aan de wederopstanding van het merk Hillman. Men lanceerde hiertoe het model Hillman Wizard, opgevolgd door de Minx. Dit model zou met veranderingen 40 jaar in productie blijven en bracht Rootes in de top 6 van Britse autobouwers. Pas in 1933 volgde het Humber 12 HP en 16/60 en Snipe 80/Pullman model.

In 1935 werden de noodlijdende merken Sunbeam en Talbot opgekocht. Door deze overname steeg Rootes naar de vierde plaats van Britse autoproducenten met een marktaandeel van 11%. De visie van de Rootes broers had hen zich al drie jaar doen voorbereiden op een oorlog toen in 1939 deze daadwerkelijk uitbrak. In Speke, bij Liverpool had men al een fabriek gebouwd om Bristol Blenheim bommenwerpers te produceren. Om het risico van bombardementen te verkleinen werd in Ryton-on-Dunsmore bij Coventry een tweede fabriek gebouwd. Tevens bouwde Rootes gepantserde wagens, verkenningsauto's en bommen. In 1940 werd de fabriek in Coventry door de Duitsers gebombardeerd. De fabriek werd met enorme inspanning weer opgebouwd.

Na de oorlog was het grootste probleem om staal te krijgen voor de bouw van auto's en waren feitelijk de modellen verouderd: er was vijf jaar nauwelijks aandacht voor ontwikkeling geweest.

In 1947 besloot Rootes na gedegen onderzoek om de Noord-Amerikaanse markt te gaan bewerken. Dit resulteerde in 1953 in 800 dealerschappen. De zoon van Billy, Brian, speelde een belangrijke rol in het succes op de Amerikaanse markt.

Tussen 1945 en 1947 werd de Rootes ontwerpafdeling zwaar op de proef gesteld met de opgave een nieuwe auto te ontwerpen die aan de naoorlogse wensen en eisen kon voldoen. Dit werd de Sunbeam Talbot 80. De eerste Rootes auto die de koplampen in de spatborden had. Met de Sunbeam Talbot 80 werd door Rootes ook geracet, wat in 1955 leidde tot winst door een Noors team in de rally van Monte Carlo. De Rootes auto's bleken ook in navolgende jaren zeer betrouwbare rallyauto's. Tevens werden enige 'monster' ritten naar zuid Afrika en Calcutta verreden om de betrouwbaarheid te bewijzen.

In 1948 werd de Hillman Minx Magnificent geïntroduceerd. Deze auto's werden als CKD (Completely Knocked Down) ook geëxporteerd ter assemblage in buitenlandse Rootes fabrieken. Bij deze auto kwam voor het eerst het ontwerptalent van Raymond Loewy om de hoek kijken. Tegen het einde van de jaren veertig werd de gehele productie van Rootes wagens geconcentreerd in Ryton-on-Dunsmore.

In 1955/56 werd het noodlijdende Singer overgenomen, waarmee Rootes een vijftal merknamen onder zich had.

Reeds voor de Tweede Wereldoorlog had Rootes zich al gebogen over de productie van een kleine auto. Pas tegen het einde van de jaren vijftig werd uiteindelijk de beslissing genomen om in dit zwaar concurrentiegevoelige segment te stappen. Na tegenslagen (wat betreft vergunningen) werd begin jaren zestig de productie in Linwood (bij Glasgow) gestart. Het gebied bleek geen verstandige keuze te zijn. Alhoewel Pressed Steel (de leverancier van de carrosserieën) zich er ook had gevestigd was er te weinig industriële infrastructuur en geschoolde arbeid. Tevens was de afstand voor vele leveranciers problematisch. De Imp werd nooit het wereldsucces waar Rootes op hoopte. Een en ander werd onder andere veroorzaakt door een te groot aantal noviteiten in de auto (zoals een aluminium motorblok) waardoor de wagen storingsgevoelig was. Tevens werd de auto onder te grote tijdsdruk op de markt gebracht en waren er personeelsproblemen. De latere modellen waren wel betrouwbaarder maar het kwaad was toen al geschied (hierover verderop meer).

In 1962 werd de (achteraf kortstondige) samenwerking met Carrozzeria Touring Superleggera in Italië opgestart voor de assemblage van de Alpine, de Hillman Super Minx en de Venezia, welke laatste auto geen succes was. In 1966 sloot de Italiaanse fabriek door zware financiële problemen.

In 1961 was feitelijk al de teloorgang van het Rootes concern ingezet door de 13 weken durende staking bij Britsh Steel Pressing te Acton. Deze tegenslag, gecombineerd met een malaise in de automarkt voor alle producenten, hadden Rootes al verzwakt. Billy was er overigens van overtuigd dat de werkonderbrekingen politieke gronden hadden.

In 1964 overleed Billy. Zijn zoons Brian en Geoffry zetten zijn werk voort. In 1962 en 1963 werden substantiële verliezen geleden waardoor tevens de ontwikkeling van nieuwe modellen in gevaar werd gebracht. In 1964 vond Rootes de benodigde hulp bij Chrysler.
Een advertentie uit 1964
Chrysler nam Rootes over maar kreeg geen preferente aandelen, waardoor de zeggenschap beperkt was. In 1967 werd deze zeggenschap wel verkregen. Door Chrysler werd een zeer drastisch bezuinigingsprogramma ingevoerd. De invloed van Chrysler werd ook duidelijk door de toevoeging van de 'penta-star' bij de badges van de geproduceerde Rootes auto's en bij reclameboodschappen.

In 1967/1968 werd de nieuwe Arrow serie (Hillman Hunter, Minx, Humber Sceptre, Singer Vogue en Sunbeam Rapier) geïntroduceerd.
Een bijzondere Minx met 4 merknamen..
Deze auto's werden in Linwood geproduceerd, met de trein naar Ryton-on-Dunsmore (483 km) gebracht waar ze werden afgemonteerd. De trein nam op de terugweg Imp motorblokken mee ter assemblage in Schotland. De Hillman Hunter ging goed verkopen toen deze wagen in 1968 de London-Sydney marathon won. De laatste auto die onder Rootes auspiciën werd gestileerd was de Hillman Avenger die in augustus 1970 op de markt kwam. Van deze auto werden er gedurende 11 jaar meer dan een miljoen gebouwd in verschillende uitvoeringen.

In 1970 was de Rootes naam al van de bedrijven afgevoerd, die zich Chrysler Uk Ltd. gingen noemen. In 1977 stopte Chrysler met het verdere gebruik van de Rootes merknamen. Ook Chrysler kon in 1978 niet voorkomen dat er weer ernstige stakingen uitbraken die voor zware verliezen zorgden. Nadat Chrysler ook in Amerika in financiële problemen was geraakt, werd in 1978 de Europese Chrysler organisatie verkocht aan Peugeot. Linwood werd in 1981 definitief gesloten. De fabriek in Dunstable werd door Renault gekocht. In Ryton-on-Dunsmore werden tot 12 december 2006 Peugeot auto's gebouwd. Het fabrieksterrein werd verkocht aan een ontwikkelaar Trenport Investments Ltd. t.b.v. industrieel gebruik. In November 2007 zijn de opstallen gesloopt en is dit stuk tastbare geschiedenis voor goed verdwenen.